De AIVD en privacy

Om bedreigingen tegen de nationale veiligheid te voorkomen moet de AIVD mogelijke daders vroegtijdig identificeren. Om dit te kunnen, gebruiken wij soms verregaande middelen die een inbreuk kunnen maken op iemands privacy.

Over de inzet van bijzondere inlichtingenmiddelen wordt niet lichtzinnig gedacht. Het mag ook niet zomaar. Het moet van belang zijn voor de onderzoeken van de AIVD. Deze onderzoeken zijn door de regering vastgesteld. In veel gevallen is bij de inzet van een inlichtingenmiddel toestemming nodig van de minister.

Bescherming van grondrechten door inbreuk op diezelfde rechten

De grondrechten van burgers, zoals het recht op privacy, zijn verankerd in de grondwet. Deze verworvenheden moeten goed beschermd worden. Sinds jaar en dag is het een taak van de AIVD om vanuit dit perspectief erop toe te zien dat burgers hun grondrechten kunnen uitoefenen. Mensen moeten kunnen denken en zeggen wat zij willen en moeten de vrijheid hebben om hun eigen leven te leiden. 

Omdat sommige kwaadwillenden juist misbruik maken van deze vrijheden om grondrechten te ondermijnen, ontstaat de paradoxale situatie dat om deze grondrechten te beschermen, er soms juist inbreuk moet worden gemaakt op grondrechten van die burgers.

Persoonlijke vrijheid en collectieve veiligheid

Om onderzoeken mogelijk te maken heeft de AIVD bijzondere bevoegdheden, waarbij de AIVD inbreuk mag maken op grondrechten zoals het huisrecht (bevoegdheid tot binnentreden), het recht op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de onschendbaarheid van het communicatiegeheim. De dienst is continu bezig om te zoeken naar een balans tussen de rechten van het individu en de (nationale) veiligheid van de hele gemeenschap.

Eerst de lichtste middelen

De beslissing om bijzondere bevoegdheden in te zetten wordt altijd zeer weloverwogen genomen. Eerst wordt gekeken of de de inzet van een zwaarder middel nodig is om het gewenste resultaat te bereiken. Eerst worden lichtere middelen ingezet zoals het raadplegen van open bronnen, onze eigen informatiesystemen en gegevens die bij derden beschikbaar zijn.

Steeds afwegen of een zwaarder middel echt noodzakelijk is

Een grootschaliger inzet van veelal dieper in de privacy van de burger ingrijpende bevoegdheden zoals aftappen, observeren en volgen, hoeft lang niet altijd te worden ingezet. Maar soms moet dat wel. Het hangt af van de aard van de dreiging. Is de dreiging serieus? Is de dreiging acuut?

Bij ieder onderzoek wordt steeds opnieuw afgewogen of een zwaarder middel echt noodzakelijk is. En voor de inzet van een zwaarder middel bij datzelfde onderzoek moet altijd toestemming worden gegeven door, afhankelijk van het middel, respectievelijk het hoofd van de dienst of de minister. Deze zogenoemde lasten zijn tijdgebonden en moeten soms tijdens een onderzoek verlengd worden. Ook deze verlengingen moeten telkens opnieuw goed onderbouwd voorgelegd worden aan het hoofd van de dienst of de minister.

Privacy van burgers belangrijk uitgangspunt Wiv2002

Net als iedereen is de AIVD gebonden aan wet- en regelgeving. Het werk van de dienst ligt verankerd in de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Wiv2002) en voor wat betreft veiligheidsonderzoeken in de Wet op de Veiligheidsonderzoeken (Wvo). Bij het tot stand komen van de Wiv2002 vormde de privacy van burgers een heel belangrijk uitgangspunt.

Wanneer de AIVD bijzondere bevoegdheden inzet, die een inbreuk maken op de privacy van burgers, dan moet voldaan zijn aan de eisen in Wiv2002. Deze eisen vloeien voort uit:

  • de voorwaarden uit het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM),
  • de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en
  • de Grondwet.

Dekkend en hoogwaardig toezicht

In Nederland is sprake van een uitgebalanceerd en solide stelsel van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dit bestaat uit de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD), het parlement, waaronder de Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CIVD), de Algemene Rekenkamer, de Ombudsman, de rechter, en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de minister van Defensie.

De verschillende rollen en verantwoordelijkheden worden door de diverse partijen op de juiste manier ingevuld en zijn op een professionele manier complementair aan elkaar zijn. Dit levert een dekkend en hoogwaardig toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten op.