Biologisch forensische onderzoeksmethoden

De inhoud van deze webpagina wordt nog aangepast aan de nieuwe Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 die per 1 mei in werking is getreden.

De AIVD maakt sinds enige jaren zeer beperkt gebruik van biologisch forensische onderzoeksmethoden, zoals vingersporen- en DNA-onderzoek.

Biologische-forensische methoden kunnen op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten als middel worden gebruikt om personen te identificeren. Ze vallen onder de zogenaamde bijzondere bevoegdheden, die niet zomaar mogen worden ingezet. Voor iedere inzet moet onder andere worden gewogen of er geen andere, minder zware middelen mogelijk zijn.

De AIVD mag DNA-materiaal (bijvoorbeeld speeksel) afnemen van voorwerpen, zoals van een sigarettenpeuk. Het is niet toegestaan om DNA af te nemen van personen. Nadat een DNA-profiel is gemaakt, wordt het DNA-materiaal vernietigd.

Een DNA-profiel (een rijtje van dertig getallen en een X of een Y) dat is bedoeld om te identificeren, geeft geen informatie over bijvoorbeeld haarkleur of afkomst. Omdat de dienst DNA-onderzoek alleen gebruikt om de identiteit vast te stellen, wordt het DNA-profiel vernietigd nadat de identiteit van een persoon bepaald is.

De CTIVD onderzocht in toezichtsrapport nummer 42 hoe de AIVD de biologisch forensische onderzoeksmethoden toepast en hoe zich dit verhoudt tot het wettelijk kader, Europese jurisprudentie en interne regelgeving van de dienst.

Zie ook