Veelgestelde vragen over de Wet bescherming nationale veiligheid door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten
De AIVD en MIVD hebben meer slagkracht en snelheid nodig om alle gewelddadige conflicten, snel veranderende dreigingen en in rap tempo veranderende technieken nu en in de toekomst aan te kunnen.
Dit wetsvoorstel maakt het voor de diensten mogelijk om dreigingen tegen de nationale veiligheid sneller te kunnen onderkennen zodat we effectiever kunnen handelen. De nieuwe wet is noodzakelijk om Nederland en zijn burgers te beschermen tegen al deze dreigingen zodat iedereen in een vrij en democratisch land kan leven.
De belangrijkste wijziging is dat de dreiging centraal staat en niet het inlichtingenmiddel (bijvoorbeeld afluisteren). Er zijn overduidelijke tegenstanders (in de wet opponenten genoemd) die de Nederlandse samenleving bedreigen. Denk daarbij aan activiteiten van kwaadwillende buitenlandse diensten of terroristische organisaties. De nieuwe wet biedt de mogelijkheid om daar doeltreffender onderzoek naar te doen.
De wet wordt ook zoveel mogelijk techniek onafhankelijk, zodat de diensten niet door de wet beperkt worden bij het ontstaan van nieuwe technologische ontwikkelingen.
De nationale en internationale samenwerking is cruciaal om Nederland veilig te houden. Daarom zal de samenwerking met medeoverheden, bedrijven, kennisinstellingen en buitenlandse partners worden versterkt
Ook de verwerking van gegevens wordt aangepast aan de huidige tijd. Door gebruik van nieuwe technieken zoals AI, kunnen we sneller en effectiever werken.
De TIB en CTIVD gaan op in een nieuw, onafhankelijk college en gaat het College van Toetsing en Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (CTT) heten. Hierdoor komen toetsing vooraf en toezicht tijdens en na een onderzoek in een organisatie samen.
Voor jou als burger betekent de wet dat de AIVD en MIVD sneller en effectiever kunnen werken om Nederland en bondgenoten te beschermen, zodat je in een vrij en veilig land kunt leven. Er wordt door de diensten onderzoek gedaan naar dreigingen tegen de nationale veiligheid. Denk aan militaire dreigingen, spionage, cyberdreiging, ongewenste inmenging, terrorisme, extremisme. De diensten doen geen onderzoek naar burgers die geen dreiging vormen tegen de democratische rechtsorde.
Een internetconsultatie betekent dat iedereen kennis kan nemen van een wetsvoorstel en daarop kan reageren. Je kunt suggesties voor aanpassingen doen. Je hebt vanaf 28 augustus zes weken de tijd om te reageren. Na die tijd worden de suggesties die relevant zijn in het wetsvoorstel verwerkt. Welke dat zijn kun je lezen op internetconsultatie.nl.
Het opponentenregime houdt in dat een lijst wordt opgesteld met buitenlandse organisaties die overduidelijk een dreiging vormen voor de nationale veiligheid van Nederland. Denk aan de Russische geheime diensten, hackersgroepen die door China worden aangestuurd, of terroristische organisaties zoals IS.
Wanneer een buitenlandse organisatie op die lijst staat, hoeven de diensten niet meer voor een aantal bijzondere bevoegdheden, zoals het aftappen van een telefoon, vooraf toestemming te vragen aan het College van Toetsing en Toezicht. Hierdoor kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten sneller en doeltreffender werken tegen dit soort overduidelijke tegenstanders voor de nationale veiligheid. Voor organisaties die niet op de lijst staan, geldt dit regime niet. In die gevallen moet nog steeds voor de inzet van bepaalde bijzondere bevoegdheden vooraf door het College van Toetsing en Toezicht worden getoetst of de inzet van die bevoegdheid rechtmatig is. Dit geldt ook voor personen die niet aan deze organisaties te verbinden zijn.
Ja, ook binnen het opponentenregime gelden waarborgen wanneer de AIVD en MIVD bijzondere bevoegdheden willen inzetten. Zo stellen de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Defensie de lijst met buitenlandse organisaties elk jaar samen vast. Het onafhankelijke College van Toetsing en Toezicht controleert eerst of deze lijst rechtmatig is opgesteld. Die controle is bindend, wat betekent dat de diensten niet binnen het opponentenregime kunnen werken als het College van Toetsing en Toezicht een organisatie op de lijst afkeurt.
Daarnaast moeten de diensten binnen het opponentenregime bij hun acties de inzet van een bijzondere bevoegdheid onderbouwen. De inzet van bijzondere bevoegdheden moet nodig zijn om het onderzoeksdoel te bereiken en de gevolgen ervan, bijvoorbeeld op de privacy, moet in verhouding staat tot het onderzoeksbelang. De diensten moeten ook motiveren of er geen lichter middel beschikbaar is waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt. Het onafhankelijke College van Toetsing en Toezicht houdt doorlopend toezicht op deze onderbouwingen en dus ook tijdens de inzet van de bevoegdheden. Ook houdt het College van Toetsing en Toezicht onafhankelijk, doorlopend en bindend toezicht op de vraag welke personen deel uitmaken van de organisaties die staan op de lijst.
Sommige bijzondere bevoegdheden vallen buiten het opponentenregime, namelijk bulkinterceptie, DNA-onderzoek en het binnentreden van woningen. Voor de inzet van deze bijzondere bevoegdheden blijft altijd een onafhankelijke toets vooraf verplicht. Daarnaast gebeurt onderzoek naar mensen met een bijzonder beroep, zoals een advocaat of journalist, nooit onder het opponentenregime. Hiervoor is altijd vooraf toestemming van de rechtbank in Den Haag nodig.
Het gaat om de volgende twee nieuwe bevoegdheden.
- Verstrekkingsplicht voor financiële instellingen.
Financiële instellingen, zoals banken, kunnen gevorderd worden om gegevens aan de diensten te verstrekken. Deze gegevens zijn belangrijk voor het werk van de diensten, bijvoorbeeld voor onderzoek naar (de financiering van) terrorisme en sanctieontwijking. - Verstrekkingsplicht om de weerbaarheid van Nederland te beschermen.
De diensten kunnen mogelijke slachtoffers waarschuwen, bijvoorbeeld als de diensten sabotage of spionage onderzoeken richting vitale sectoren. Dit kan gaan om een digitale aanval op hun systemen, of om te zien hoe de aanvaller te werk is gegaan. Deze bevoegdheid mag alleen gebruikt worden als het echt nodig is en dat wordt vooraf onafhankelijk getoetst door het College van Toetsing en Toezicht.
Verder worden sommige bestaande bevoegdheden herzien, uitgebreid of gemoderniseerd. Een voorbeeld is de verstrekkingsplicht die al geldt voor communicatiediensten. Deze wordt uitgebreid naar online platforms.
- Verstrekkingsplicht voor financiële instellingen.
De digitale wereld verandert snel en het type cyberdreiging ook. Daarom wordt hacken steeds belangrijker voor het werk van de diensten.
Het is vooraf vaak lastig te weten of bepaalde informatie op een netwerk staat. In de huidige wet is toestemming nodig om een netwerk te verkennen. Dan is het moeilijk om vooraf goed uit te leggen waarom een hack nodig is, als je nog niet precies weet wat er op zo’n netwerk staat. De voorwaarden om te mogen hacken worden daarom in het wetsvoorstel aangepast. Daarin wordt hacken opgedeeld in drie fases. Elke fase heeft eigen waarborgen. Deze fasering kan worden vergeleken met de doorzoeking van een loods. In de eerste fase wordt bekeken hoe een loods kan worden betreden en toegang kan worden verkregen. Vervolgens wordt in de loods gezocht naar relevante informatie. Tot slot wordt in de derde fase de relevante informatie meegenomen.
Pas in de derde fase wordt er daadwerkelijk informatie ingewonnen, en daarbij zijn de risico’s voor de privacy het grootst. Daarom is er voor deze derde fase altijd een onafhankelijke, bindende toets door het College van Toetsing en Toezicht. Dit betekent dat zonder toestemming van het College geen informatie mag worden ingewonnen. Door de waarborgen over drie fases te verdelen, kunnen de diensten sneller en beter werken. Tegelijk blijft de privacy voor de burger goed gewaarborgd.
De bestrijding van de covid-19-epidemie en de toestroom van Oekraïners door de oorlog met Rusland hebben laten zien hoe belangrijk het is dat de overheid in tijden van nood kan terugvallen op het staatsnoodrecht. Daarom moderniseert de overheid het staatsnoodrecht overal waar dat nodig is. Ook in het inlichtingen- en veiligheidsdomein blijkt dat het op onderdelen nodig is om de wet te versterken voor noodsituaties.
Staatsnoodrecht is altijd het allerlaatste middel. Het wordt pas ingezet als er geen andere mogelijkheid meer is. Alleen in ‘buitengewone omstandigheden’, zoals bij directe betrokkenheid van Nederland bij een grootschalig gewapend conflict, kan staatsnoodrecht worden ingezet. Dit gebeurt met een Koninklijk Besluit: een officieel besluit van de regering. In dat Koninklijk Besluit moet worden gemotiveerd waarom het staatsnoodrecht wordt ingezet en voor welke bepalingen uit het wetsvoorstel. Daarna wordt ook direct een voortduringswet aan het parlement voorgelegd. Het staatsnoodrecht kan dus ook weer direct worden stopgezet als de Tweede of Eerste Kamer de voortduringswet verwerpt. Anders wordt het staatsnoodrecht door middel van een Koninklijk Besluit ook weer buiten werking gesteld, zodra de buitengewone omstandigheden dat toelaten.
De nieuwe wet kent enkele bepalingen van staatsnoodrecht, die het mogelijk maken om tijdelijk enkele verplichtingen uit de nieuwe wet anders vorm te geven of op te schorten. Het overgrote deel van de bepalingen in het wetsvoorstel blijft dus gewoon gelden. Deze tijdelijke ‘schuifjes’ bepalen op voorhand wat er precies anders vormgegeven of opgeschort kan worden. Alleen deze bepalingen kunnen, afhankelijk van de omstandigheden, gezamenlijk of afzonderlijk van elkaar worden ingezet. Elke maatregel moet nodig zijn voor de noodsituatie die op dat moment speelt.
Directe Nederlandse betrokkenheid bij een grootschalig gewapend conflict vraagt bijvoorbeeld om specifieke maatregelen, die bij een andere noodsituatie niet van toepassing hoeven te zijn. Dit kan bijvoorbeeld gaan om toetsing vooraf anders in te richten of tijdelijk op te schorten, het tijdelijk stoppen van het notificeren van personen tegen wie een bepaalde bijzondere bevoegdheid is ingezet of het uitstellen van het jaarverslag. Dit betekent niet dat de betrokken ministers en het College van Toetsing en Toezicht zich niet meer verantwoorden richting de Tweede en Eerste Kamer, of dat het College van Toetsing en Toezicht geen informatie meer ontvangt over het werk van de diensten wanneer dat nodig is. De controle blijft, maar het wordt tijdelijk niet of minder gepubliceerd. Deze bepalingen zijn slechts bedoeld om de diensten in staat te stellen ook tijdens een noodsituatie hun kerntaken in het belang van de nationale veiligheid effectief te kunnen blijven uitvoeren. Waar de toets vooraf op bepaalde bevoegdheden binnen het staatsnoodrecht tijdelijk anders kan worden ingericht of vervalt, blijft het doorlopende toezicht tijdens operaties altijd van kracht.
Samenwerking met private partijen is essentieel voor het werk van de diensten. Private partijen doen namelijk onderzoek naar technologieën die ook relevant zijn voor het werk van de diensten, of die van belang kunnen zijn voor de bescherming van de nationale veiligheid. Denk aan onderzoek naar een nieuw type drones of cybersecurity.
In het wetsvoorstel staat duidelijker beschreven hoe de diensten mogen samenwerken met private partijen. Onder private partijen vallen ook kennisinstellingen, zoals universiteiten. Er staat ook aan welke voorwaarden dit moet voldoen en welke gegevens gedeeld mogen worden. Bij structurele samenwerking met een private partij, waarbij de verwachting is dat er persoonsgegevens gaan worden gedeeld, beoordelen de diensten eerst de partij om te zien of hiermee kan worden samengewerkt. Hierbij wordt gekeken naar het land van herkomst, de doelen van de partij en hoe professioneel en betrouwbaar de partij is. En ook of de samenwerking het werk van de diensten echt helpt. Het College van Toetsing en Toezicht houdt hierop doorlopend toezicht.
Verder mogen de diensten niet zomaar alles delen. Voor elk stukje informatie dat zij willen delen moeten zij uitleggen waarom dit nodig is. Ook hierop wordt doorlopend onafhankelijk toezicht gehouden.
