De AIVD stelt in het kader van het Stelsel bewaken en beveiligen dreigings- en risicoanalyses op. Wij kijken of er vanuit onze onderzoeksgebieden concrete of voorstelbare dreigingen zijn tegen een persoon, object of dienst die valt in het zogenoemde rijksdomein. De Coördinator Bewaking en Beveiliging (CBB) van de NCTV beslist uiteindelijk of er beveiligingsmaatregelen nodig zijn.

Veiligheid van personen, objecten en evenementen

De toename van jihadistisch-terroristische aanslagen in westerse landen en vooral de grote diversiteit aan doelwitten waartegen deze gericht zijn, leidt tot meer maatschappelijke onzekerheid over de veiligheid van personen, objecten en evenementen. Er is meer behoefte aan inlichtingen over concrete en voorstelbare dreigingen tegen specifieke doelwitten.

De AIVD brengt deze dreigingen vanuit zijn eigen onderzoeken in kaart, zodat de Coördinator Bewaking en Beveiliging (CBB) van de NCTV kan beslissen of er daadwerkelijk beveiligingsmaatregelen moeten worden genomen. Ook de Nationale Politie en de MIVD maken deel uit van dit Stelsel bewaken en beveiligen.

Personen, objecten en diensten die van nationaal belang zijn voor Nederland vertegenwoordigen zijn opgenomen in het zogeheten rijksdomein. De rijksoverheid draagt de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze personen, objecten en diensten.

Wie vallen onder het rijksdomein?

  • personen: nationale politici en leden van het Koninklijk Huis;
  • objecten: ambassades en internationale gerechtshoven;
  • diensten: bepaalde transporten (bijvoorbeeld in de lucht- en scheepvaart of bij het vervoer van gevaarlijke stoffen) en vitale infrastructuren (waaronder telecommunicatie en ICT-verbindingen).

Als de omstandigheden daarom vragen is het ook mogelijk om een persoon, object of dienst tijdelijk toe te voegen aan het rijksdomein.

Brede analyses noodzakelijk

Na de moord op politicus Pim Fortuyn in mei 2002 besloot de Nederlandse politiek dat het toenmalige stelsel van persoonsbeveiliging moest worden herzien. Voor die tijd reageerde de overheid alleen op concrete dreigingen tegen bepaalde personen, zoals politici, gebouwen en diensten.

Het kabinet vond dat bredere analyses voortaan noodzakelijk waren. Daarin moest - naast concrete dreigingen - ook worden gekeken naar denkbare dreigingen en risico's.

Vanaf dat moment werd ook gekeken of dreiging uit een bepaalde hoek voorstelbaar was voor bijvoorbeeld een politicus op basis van zijn standpunten en uitspraken.